Woordenlijst

Abces
“Holte” gevuld met pus of een plaatselijke opeenhoping van ontstoken weefsel.

Acute buik
Acute darmsymptomen zoals pijn, gespannen gevoel in de buik en verstopping van de darm.

Adenocarcinoom van het colon
Kwaadaardige tumor van de glandulaire structuren in de darmwand.

Adhesie
Abnormale verkleving van twee organen of structuren die gewoonlijk van elkaar gescheiden zijn (bijvoorbeeld de darmlussen). Een verkleving bestaat uit dunne strengen bindweefsel en is meestal een gevolg van een ontsteking of littekenvorming.

Aft
Klein, rond zweertje van het slijmvlies in de mond of de darm. Kan een vroeg symptoom van een darmziekte zijn, bijvoorbeeld de ziekte van Crohn.

Aminozuur
Bouwsteen van eiwitten.

Anaal bloedverlies
Bloedverlies via de anus.

Anamnese
Hetgeen de patiënt bij het onderzoek over het ontstaan van de ziekte, vroegere ziekten en dergelijke aan de arts kan meedelen.

Anastomose
Verbinding, het operatief verbinden van twee organen, bijvoorbeeld twee segmenten van het spijsverteringskanaal.

Anemie
Klinische aandoening die gekenmerkt wordt door een verlaagde concentratie rode bloedcellen of hemoglobine ten gevolge van overmatig verlies of vernietiging van rode bloedcellen.

Anesthesie
Gebruik van inhalatiemiddelen of plaatselijk toegepaste middelen die de tastzin en het gevoel voor pijn en warmte uitschakelen; oftewel verdoving.

Antigeen
Een molekuul , meestal lichaamsvreemd, dat in staat is een reactie van het afweersysteem op te wekken waarbij antistoffen worden aangemaakt.

Antilichaam
Stoffen die door cellen van het immuunsysteem geproduceerd worden en die lichaamsvreemde deeltjes kunnen herkennen (antigenen), waaraan zij zich binden zodat de deeltjes door andere cellen van het immuunsysteem geëlimineerd kunnen worden.

Antispasmodicum
Geneesmiddel dat ervoor zorgt dat de gladde spieren zich ontspannen (vooral in de darmen)

Anus
Het onderste gedeelte van het spijsverteringskanaal, uitmonding van de endeldarm. Een kringspier die de afvoer van ontlasting reguleert. In feite een combinatie van cirkelvormige spiervezels die het rectum kunnen sluiten.

Appendicitis
Ontsteking van het wormvormig aanhangsel van de blinde darm (blinde darmontsteking). De meest voorkomende symptomen zijn: buikpijn die gepaard gaat met misselijkheid, braken en koorts. Complicaties zijn onder meer abcesvorming of peritonitis.

Appendix
Klein wormvormig aanhangsel, 5-9cm lang en 7mm breed, van de blindedarm (caecum). Bestaat uit lymfeweefsel en heeft een filterende functie (zoals een keelamandel). Daardoor kan hij soms ontstoken raken (appendicitis).

Bacterie
Eencellig micro-organisme dat zich meestal door celdeling vermeerdert. Kan onschuldig zijn (natuurlijke darmflora) of schadelijk (darminfecties).

Bariumklysma
Röntgenfoto waarop de dikke darm in beeld wordt gebracht met behulp van een klysma (klisteerspuit) met contrastmiddel (meestal barium). Er kan ook een “dubbelcontrastonderzoek” uitgevoerd worden, waarbij tevens lucht wordt ingebracht, zodat het slijmvlies van de darm in detail zichtbaar is.

Biopsie
Het wegnemen van een klein stukje weefsel uit een levend orgaan voor histologisch onderzoek.

Cachexie
Verslechtering van de algemene lichamelijke toestand, die veroorzaakt wordt door chronische ziekte en ondervoeding.

Caecum
Blindedarm; het begin van de dikke darm.

Calcificatie
Opeenhoping van calciumzouten in de weefsels.

Carcinoom
Kwaadaardige tumor. Zie kanker.

Cholestase
Galstuwing.

Coeliakie
Wordt ook wel “glutenenteropathie” genoemd. Het wordt veroorzaakt door overgevoeligheid voor gliadine, een stof die in gluten wordt aangetroffen. Gluten is een eiwitcomplex dat algemeen voorkomt in graan, rogge en gerst. Als het slijmvlies van een “allergische” darm aan deze stof wordt blootgesteld, raakt het beschadigd, waardoor voedingsstoffen slecht worden opgenomen .

Colectomie
Gehele of gedeeltelijke operatieve verwijdering van de dikke darm.

Colitis ulcerosa
Chronische darmziekte waarvan de oorzaak nog grotendeels onbekend is. Het verloop van de ziekte wordt gekenmerkt door de afwisseling van actieve en rustige perioden. In de meeste gevallen kan de ziekte op een eenvoudige wijze met geschikte geneesmiddelen onder controle gebracht worden. De belangrijkste symptomen zijn: krampen, diarree en bloed of slijm in de ontlasting.

Colon (dikke darm) of karteldarm
Segment van het spijsverteringskanaal dat gelegen is tussen de blinde darm en de endeldarm.

Coloscoop
Lang, flexibel instrument dat gebruikt wordt om de gehele dikke darm en het laatste gedeelte van het ileum te onderzoeken. Zie endoscopie.

Coloscopie
Endoscopie die het mogelijk maakt de dikke darm te onderzoeken met behulp van een met optische vezels voorzien buisje dat via de anus wordt ingebracht. Met dit onderzoek kan het darmslijmvlies in detail bekeken worden en dankzij een minuscuul tangetje kunnen kleine stukjes weefsel weggenomen worden voor microscopische analyse (biopsie).

Colostomie
Operatieve opening (tijdelijk of permanent) van de dikke darm door de buikwand naar buiten.

Dehydratatie
Verminderde hydratatie.

Diarree
Te frequente en vloeibare stoelgang.

Duodenum (twaalfvingerige darm)
Begin van de dunne darm dat aansluit op de maag en in de vorm van een krans over het bovenste gedeelte van de alvleesklier ligt. Gal en sappen van de alvleesklier komen hier bij elkaar.

Dysfagie
Moeite met slikken, d.w.z. met het transport, geheel of gedeeltelijk, van voedsel, drank, speeksel enz.

Dysplasie
Abnormale vorming en groei van weefsel waarvan de cellen atypisch of precancereus geworden zijn.

Echografie
Een niet-invasieve onderzoeksmethode voor onderzoek van organen met behulp van apparatuur die gebruikmaakt van geluidsgolven. Het echogram ontstaat doordat de diverse structuren van een orgaan de uitgezonden geluidsgolven terugkaatsen. Hiermee kunnen alle organen in de buik onderzocht worden en kunnen eventuele verdikkingen in de darmwand zichtbaar gemaakt worden.

Eiwitten
Organische substanties die uit verbindingen van aminozuren zijn opgebouwd. Het zijn fundamentele elementen (de zogenaamde “bouwstoffen”) van alle dierlijke en plantaardige cellen. Zij spelen een belangrijke rol in biochemische reacties (enzymen), in het transportsysteem en in de structuur van weefsels (vooral spieren). Chronisch inflammatoire darmziektes kunnen overmatig verlies of slechte absorptie van eiwitten veroorzaken.

Endoscopie
Een onderzoek waarmee de binnenkant van het spijsverteringskanaal direct zichtbaar gemaakt wordt. Het is niet alleen mogelijk om organen van binnen te bekijken. Met behulp van een tangetje kunnen er tevens kleine stukjes weefsel weggenomen worden (biopsie) voor microscopische analyse.

Enteraal
Via de darm. Heeft betrekking op toediening via het spijsverteringskanaal, in tegenstelling tot ‘parenteraal’, dat toediening via een ader betekent.

Enzym
Eiwitmolecuul dat biochemische reacties kan versnellen (door compositie en splitsing van moleculen).

Epitheel
Bovenste laag van de huid en slijmvliezen.

Erythema nodosum
Pijnlijke, paarsrode, onderhuidse knobbeltjes (kleine zwellingen) op de benen of de onderarmen, die onder andere op kunnen treden tijdens opvlammingen van de ziekte van
Crohn.

Fecesonderzoek
Onderzoek van de ontlasting.

Fibroscopie
Zie endoscopie.

Fibrose
Toeneming van bindweefsel in een orgaan.

Fistel
Abnormale verbinding tussen twee lichaamsholten, bijvoorbeeld het spijsverteringsstelsel en een ander orgaan (bijvoorbeeld de blaas) of de huid (cutane fistel).

Gal
Vloeistof die door de lever wordt uitgescheiden en via de galwegen naar de dunne darm vloeit; belangrijk voor de absorptie van vetten.

Geelzucht
Gele verkleuring van de huid en de sclera (oogwit).

Glad spierweefsel
Soort spiervezel dat de organen van het spijsverteringsstelsel omgeeft (oesofagus, maag en darmen).

Granuloom
Gezwel bestaande uit granulatie weefsel.

Haemorrhoides (aambeien)
Verwijding van de vaten rondom de anus. Hemorroïdaal weefsel maakt deel uit van de normale anatomie en heeft een speciale functie bij het ophouden en uitscheiden van ontlasting, maar doordat het betreffende weefsel slap is, kunnen de bloedvaten ontstoken raken, bloeden en pijn veroorzaken.

Histologisch onderzoek
Weefselonderzoek.

Ileocolitis
Een ontsteking van het ileum en de dikke darm.

Ileostomie
Tijdelijke of permanente verbinding tussen een lus van het ileum en de huid.

Ileum
Kronkeldarm, het laatste deel van de dunne darm.

Jejuno-ileïtis
Ontsteking van het jejunum en het ileum.

Jejunum
Het middelste gedeelte van de dunne darm, na het duodenum en voor het ileum.

Kanker
Ongecontroleerde groei van cellen, die meestal aangrenzende cellen vernietigt en die zich kan verspreiden naar andere weefsels (metastasen).

Katheter
Een dunne, flexibele buis die gebruikt wordt voor het afvoeren van vloeistof (bijvoorbeeld een katheter in de blaas) of voor het injecteren van geneesmiddelen (bijvoorbeeld toediening via een ader).

Lever
Grote klier rechtsboven in de buikholte. Heeft diverse functies, waaronder het opslaan en filteren van bloed, galsecretie en de omzetting van een groot aantal stoffen, waaronder geneesmiddelen.

Lithiasis
Aanwezigheid van stenen, bijvoorbeeld in het urinewegstelsel (nephrolithiasis) of in de galblaas (cholelithiasis).

Maag
Het deel van het spijsverteringskanaal dat tussen oesofagus en duodenum ligt. De maag is een ‘reservoir’ dat zuren en spijsverteringsenzymen bevat. In dit ‘reservoir’ wordt het voedsel via een chemisch proces omgezet in een brij die uit zeer kleine deeltjes bestaat.

Mantelzorger
Iemand die de patiënt bijstaat en verzorgt tijdens zijn ziekte.

Mucus (slijm)
Heldere, vloeibare substantie die gewoonlijk door slijmklieren wordt afgegeven om de binnenste wand van holle organen, zoals het spijsverteringsstelsel, te beschermen.

Oedeem
Opeenhoping van vocht in weefsels.

Oesofago-gastro-duodenoscopie
Endoscopie van de oesofagus (slokdarm), de maag en het duodenum (begin van de dunne darm).

Oesofagus (slokdarm)
Eerste segment van het spijsverteringsstelsel, een soort buis die de keelholte met de maag verbindt.

Orofarynx
Het gedeelte van de farynx (keelholte) gelegen achter de mondholte en tong.

Pancolitis
Ontsteking die de gehele dikke darm betreft.

Pancreas (alvleesklier)
Klier die in de holte onder het duodenum ligt. Geeft insuline af en diverse spijsverteringsenzymen.

Parenteraal
Buiten de darm; heeft betrekking op de toediening van geneesmiddelen of een individueel voedingsinfuus via een andere weg dan het spijsverteringskanaal (bijvoorbeeld intraveneus).

Pathologie
Ziektenleer.

Pelvis (bekken)
Het onderste gedeelte van de buik.

Perforatie
Doorboring van een hol orgaan (vergt meestal dringend een operatie).

Perianaal
Het gebied rondom de anus.

Peristaltiek
Het voortstuwen van de darminhoud door opeenvolgende, neerwaartse, samentrekkende bewegingen.

Peritoneum (buikvlies)
Het vlies dat zowel de buikwand als de in de buikholte gelegen organen bekleedt.

Plexus myentericus
Netwerk van zenuwvezels die het spijsverteringsstelsel prikkelen.

Poliep
Gesteeld goedaardig gezwel.

Proctitis
Ontsteking van het rectum.

Pylorus
Kringspier die voedsel doorlaat van de maag naar de twaalfvingerige darm.

Ragaden
Scheurtje in de huid of de slijmvliezen (bijvoorbeeld anale ragaden).

Rectoscopie
Endoscopie van het rectum met behulp van een stug buisje (rectoscoop).

Rectosigmoïd
Het meest distale gedeelte van de dikke darm, vanaf het sigmoïd tot aan het rectum. Een aantal vormen van colitis ulcerosa treedt uitsluitend op in dit gebied van de dikke darm.

Rectum (endeldarm)
Het laatste segment van het spijsverteringskanaal, na de dikke darm (colon). Bestaat uit een ietwat verwijd gedeelte (rectale ampul) en een nauwer deel (het anale kanaal).

Scleroserende cholangitis
Ernstige leverziekte, die bij colitis ulcerosa zelden voorkomt.

Sfincter (sluitspier)
Ronde spier die een holte omgeeft en deze kan openen of sluiten (bijvoorbeeld de anale sluitspier).

Sialorroe
Speekselverlies uit de mond doordat de speekselklieren overmatig speeksel produceren.

Sigmoïd
Distaal segment van de dikke darm dat de vorm heeft van een schuine “S”, direct voor het rectum gelegen.

Steatorroe
Uitscheiding van vetrijke ontlasting. De ontlasting is in dit geval halfvloeibaar, geelachtig van kleur, onwelriekend en olieachtig.

Stenose
Vernauwing van een buis of kanaal.

Stoma
Operatieve opening (tijdelijk of permanent).

Submucosa
Bedekt het spijsverteringskanaal en ligt onder het slijmvlies (mucosa). Bevat elementen die de darmstructuur ondersteunen.

Tenesmus
Pijnlijke en krampachtige aandrang tot en lozing van ontlasting of urine.

Toxisch megacolon
Ernstige complicatie die voorkomt bij colitis ulcerosa en minder vaak optreedt bij de ziekte van Crohn. De dikke darm wordt snel wijder en de darmwand wordt heel dun.

Ulcus (zweer)
Weefselverlies aan de oppervlakte van de huid met weinig of geen neiging tot genezing.

Vetten
Ook lipiden genoemd. Zij bestaan uit vetzuren en fungeren als energiereserve.

Vetzuren
Bouwstenen van vetten.

Villi (darmvlokken)
Kleine uitstulpingen in de vorm van dunne vingertjes, die bepaalde slijmvliezen, zoals het darmslijmvlies, bedekken. Darmvlokken vergroten het absorberende oppervlak van de darm.

Virus
Besmettelijke ziekteverwekker die in levende cellen leeft en zich daar vermeerdert.

Ziekte van Crohn
Chronische ontsteking die theoretisch gezien het hele spijsverteringskanaal kan aantasten, van de mond tot de anus, maar meestal aangetroffen wordt in het uiteinde van de dunne darm, ileum genaamd, in de dikke darm of in beide. In het aangetaste darmstelsel treden ontstekingen, zwellingen en zweervorming op die de volledige dikte van de darmwand kunnen aantasten.